Durven we nog in die koning te geloven in een tijd waarin de
Poetins, de Assads, de Kim Jong-uns de wereld lijken te regeren? Er raast een
storm van machtswellust, onrecht en verdrukking door de wereld. Hoe moeten we
stil worden? Bidden we dan maar dat God deze storm zal stillen of dat Hij de
storm laat uitrazen en ons rust, vrede en kracht geeft midden in het geweld?
Misschien geeft lied 940 ons wat aanwijzingen om in beweging te komen.
16 En de krijgsknechten leidden
Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen; 17 En
deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende,
zetten Hem die op; 18 En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees
gegroet, Gij Koning der Joden! 19 En sloegen Zijn hoofd met een
rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieen, aanbaden Hem. 20 En
als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af, en deden Hem
Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen. 21 En
zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van den akker,
den vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg. 22 En zij
brachten Hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde,
Hoofdschedelplaats.
Wij denken dat bovenstaande goed weergeeft wat er met Jezus
gebeurde op het moment dat hij een purperen mantel omgehangen kreeg, een
doornenkroon werd opgezet en verder bespot werd.
In de mij toegewezen periode valt zondag 6 april, de 5de
zondag van de 40-dagentijd. Deze zondag ontleent
zijn naam ‘Judica’ aan de beginwoorden van het introïtusgezang, ‘Judica me,
Deus’ (Psalm 43: 1) en staat in de liturgiekalender volgens de Tridentijnse
liturgie bekend als Passiezondag (bron: Wikipedia).
Lied van de zondag: Psalm 43:1 O God, kom mijn geding beslechten,
verlos mij van wie U versmaadt.
Boosdoeners willen met mij rechten,
die niet aan trouw en waarheid hechten.
Doe mij ontkomen aan hun haat,
o HEER, mijn toeverlaat.
Gecombineerd
met het thema van deze periode ‘Zoek de
stilte - ontdek wat je beweegt’ roept dit bij mij associaties op met ‘The Sound
of silence’, ‘Het geluid van stilte’, van Simon & Garfunkel. Niet een heilzame,
maar een beklemmende stilte. Paul Simon vond inspiratie
voor het schrijven van deze song in de moord op John F. Kennedy op 22 november
1963. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? En hij beschrijft het gevoel dat hem
bekruipt tijdens een wandeling door New York. In de onpersoonlijke drukte van
een miljoenenstad, onder het koude neonlicht.
And in the naked light I saw
Ten thousand people, maybe more.
People talking without speaking,
People hearing without listening,
People writing songs that voices never shared. And no one dared disturb the sound of silence.
Hij beschrijft de frustratie van spreken zonder iets te zeggen, horen
zonder te luisteren. Hij mist de saamhorigheid, de verbondenheid. Niemand durft
‘the sound of silence’ te verstoren.
"Fools,"
said I, "You do not know
Silence like a cancer grows.
Hear my words that I might teach you,
Take my arms that I might lead you."
But my words like silent raindrops fell,
And echoed in the wells of silence.
Paul Simon waarschuwt: “Dwazen, weet je dan niet dat deze stilte
groeit als een kankergezwel? Luister naar mijn woorden, zodat je wijzer wordt.
Neem mijn armen, zodat ik je kan leiden.“ Maar zijn raadgevingen vallen als regendruppels
en verdampen in de stilte. Hij krijgt geen gehoor.
Luister naar ‘The sound of silence’ uit 1967:
De hele songtekst is te vinden via Google en de moeite van het
lezen waard.
Judica,
doe mij recht! Aan het kruis wordt het onrecht tentoongesteld én veranderd in
recht. Ons mensen alleen lukt het niet. Paul Simon is daar duidelijk in. Moeten
we het laten bij die conclusie? Of hebben we als Hoeksteengemeente met
‘Verbinden 2.0’ een begin van een antwoord?
“Natuurlijk heb ik een
eigen naam. Maar die kennen ze hier niet. Ze hebben het hier altijd over die
blinde jongen van Timeus. Ik heb mijn eigen plekje. Nee, niet in de poort, die
is voor wijze mannen.
Nee, mijn plekje is deze steen net
buiten de stad. Hier wacht ik op mensen die langs komen. Misschien schuiven ze
me wat toe. Ik moet toch ook leven!
Ik luister naar wat en wie op me af
komt en stem mijn tactiek daarop af. Er komt hier veel langs hoor. Van ver hoor
ik ze aankomen.
Marcherende soldaten met stampende
laarzen. Van hen hoef ik niets te verwachten.
Een karavaan. Zijn het ezels of
kamelen? Rijk beladen? Met wat? Is het een grote groep? Komen ze van ver, zijn
ze dicht bij huis? Zijn het landgenoten of buitenlanders? Zoeken ze hier een
rustplaats of trekken ze door? Hoe zal ik het aanpakken?
Er zijn er ook die hier dagelijks
voorbij komen.
Elke dag komt hier een leviet voorbij.
Met driftige passen. 's Ochtends naar Jeruzalem, 's avonds weer terug. Altijd
maar druk, druk, druk. Als ik hier zit gaat hij vlug naar de overkant van de
weg. Geen tijd natuurlijk.
Ook komt hier elke dag een priester
langs. 's Ochtends met haastige passen om naar de tempel te gaan. 's Avonds
terug met vermoeide passen. Ziet mij niet zitten, teveel gesprekken moeten voeren, denk ik.
Verder een samaritaan op zijn ezeltje.
Wat hij hier elke dag doet? Ik zou het
niet weten. Regelmatig krijg ik wat van hem. Aardig, hè.
En jij, je komt hier voor het eerst in
Jericho? Heb je handel bij je? Zie je daar het tolhuis? Pas een beetje op voor
Zacheus. Het is nog al een hebberig type.
Bedankt voor het luisteren naar me en
als je nog eens in de buurt bent vraag dan naar Bartimeus, die kennen ze wel.”